>

Molenaars

Previous



In heel Nederland kom je nog molens tegen. Gelukkig zijn er nog een paar over. Een paar, want er zijn er talloze verdwenen. Bekijk alleen daarvoor maar eens de kaart van de Schermer; hoeveel waren er, en hoeveel zijn er nu nog over?

De eerste molens waren graanmolens die rogge, mout, en allerlei andere soorten granen tot meel maalden. Er zijn ook veel industriemolens geweest. Houtzaagmolens, mosterdmolens, oliemolens, volmolens voor de textielnijverheid, verfmolens en nog veel meer. Maar de molens die wij hier bestuderen zijn de watermolens. Molens die het water opmalen. De voorlopers van de stoomgemalen die weer de voorlopers zijn van de huidige elektrische gemalen. Je merkt wel dat het begrip malen, pletten van bijvoorbeeld graan, door de molenaars van de watermolens is overgenomen. De vondst om de windmolen van een scheprad te voorzien in de 15e eeuw was een zeer welkome oplossing voor een groot probleem.

Wat was het probleem?

De veengronden waren ontgonnen door het graven van sloten en weteringen die het water moesten afvoeren naar groter water vanwaar het uiteindelijk afgevoerd zal worden naar zee. Om de ontginning te beschermen tegen water van land dat hoger ligt of ander buitenwater werden er kaden omheen gelegd. Zo’n omdijkt stuk land noemen we een polder. Het water uit de polder wordt tijdelijk opgevangen in sloten, plassen of grote meren. Dit wordt de boezem genoemd. Het water uit zo’n polder kon alleen in de boezem stromen via een paar toegangen en dan nog alleen als het water in de boezem lager stond dan in de wetering. Was het water in de boezem hoger dan ging de sluis dicht. Als het water in de polder bijvoorbeeld na zware regenbuien heel hoog stond maar het water in de boezem ook, dan kon er dus niet gespuid (het water uitlaten) worden en bleven de landerijen nat. Nu is er nog een extra probleem. Door het afwateren van het veen gaat het veen inklinken en bovendien oxideren, dat wil zeggen dat de bovenste laag gewoon in de lucht verdwijnt. Dat betekent dat het maaiveld steeds verder daalt. Na verloop van tijd komt deze steeds lager achter de kaden te liggen. Afwateren werd dus steeds moeizamer. Het water moest op de een of andere manier van laag naar hoog gebracht worden.

Wat was de oplossing?

Toen dus in de 15e eeuw iemand bedacht dat je met het mechanisme van een windmolen ook een scheprad kon laten werken was dat dé oplossing. Met zo’n scheprad kon je het water 1 à 1,5 meter hoger brengen. In het begin was dat genoeg. Maar je krijgt opnieuw een probleem als het maaiveld nog verder daalt. Wordt het hoogteverschil dus meer dan 1,5 meter dan zul je gebruik moeten maken van meerdere molens achter elkaar. Elke molen brengt het water een ‘trapje’ hoger. Een paar molens achter elkaar die samen het water steeds hoger brengen noemt men een molengang. De laagste molen werd de ondermolen genoemd, de bovenste de dijkadmiraal of strijkmolen. Wanneer er voldoende bemalen was werd deze molen ‘strijk gezet’ of ‘in het kruis’gezet, waarna de anderen volgden Zo werd het probleem van de diepliggende polders opgelost.

Door van meerdere molengangen van 2 , 3 of molens gebruik te maken kon je zelfs een heel meer leegpompen. Zo kon men in de 16e eeuw met de kleinere droogmakerijen beginnen. In 1550 werd De Zijpe drooggelegd. In de 17e eeuw durft men het uiteindelijk aan om de grote plassen als de Beemster, het Schermeer, de Purmer en de Heerhugowaard leeg te malen. Voor het leegmalen van het Schermeer, ruim 5019 ha groot, werden in totaal 52 molens gebouwd. Het werk begon met het graven van een ringvaart. Met de uitgegraven grond werden aan weerzijde van de geul dijken opgeworpen. Was dit eenmaal klaar dan konden de molens het water uit het meer naar deze ringvaart opmalen. Via de ringvaart, die dus deel uitmaakt van de boezem, werd het water uiteindelijk afgevoerd naar zee.

Peilbeheersing

Was het meer eenmaal drooggevallen dan bleven de molens gewoon dienst doen. De nieuwe polder ligt immers heel laag. Bij neerslag zal het water uit de kavelsloten via de tochten naar de molen afgevoerd moeten worden die het vervolgens weer opmaalt naar de boezem. Soms moet hiervoor een hoogteverschil van meer dan bijna 5 meter overwonnen worden!

Voor akkerbouw heeft men goede droge grond nodig terwijl weilanden wel natter mogen zijn maar ook weer niet té nat. Het goed op één peil houden van het water is erg belangrijk voor de boeren. De molenaar heeft dus een heel belangrijke taak. Wordt er regen verwacht en staat het water toch al een beetje hoog. Dan maakt hij zijn molen alvast gereed. Met de kap die door middel van krans een houten rollen draaibaar is, worden de wieken op de wind gekruid. Al dan niet voorzien van zeilen. Het touw waarmee de onderstaande wiek geankerd is wordt losgemaakt en met veel gekreun komt het mechaniek op gang. In het hart van de molen zit de koningsspil die de beweging van de wieken op het maalgerei overbrengt. Het scheprad draait en het water komt uit de tochtsloot omhoog om vervolgens in de boezem te verdwijnen. Voorkómen van natte voeten is beter dan genezen. Maar soms is de boezem vol. Als het polderpeil dan te hoog is mag er toch niet gemalen worden. Want een overvolle boezem betekent overstromingen. Eén molen dient als hoofdseinmolen. In de Schermerboezem stond die aan het Spijkerboor. Door de blauwe vlag in een van de wieken te hangen zien de molenaars van de gewone seinmolens dat het malen moet stoppen. Het sein wordt doorgegeven aan de molens in hun omgeving. Als het donker is wordt de vlag vervangen door een lantaarn met vier kaarsen.

De molenaar woonde in zijn achtkantige molen. Met een doorsnee van 7 à 8 meter was daar ook genoeg ruimte voor. Maar helemaal zonder risico was dit niet. Je kent misschien wel de uitdrukking "die heeft een klap van de molenwiek gehad".

Aan het einde van de 17e eeuw heeft men bedacht dat je in plaats van een scheprad ook een vijzel in de molen kunt monteren. Zo’n vijzel kan het water wel 3,5 tot 4 meter omhoog brengen. In de 18e en 19e eeuw werd in veel molens het scheprad vervangen voor een vijzel. Dat was ook wel prettig voor de molenaar en zijn gezin want door het verdwijnen van het grote scheprad uit de molen kregen zij meer leefruimte.

In het midden van de 19e eeuw werd bij de windmolens een aantal verbeteringen aangebracht. Zo werden houten onderdelen vervangen door ijzeren. De constructie werd daarmee wel sterker en duurzamer. Maar de windmolens hadden toch een aantal nadelen. Het grootste nadeel was dat het draaien van de molen afhankelijk was van de windsnelheid. Daardoor kon er maar 25% van de tijd gemalen worden. De waterberging die men nodig had nam daardoor 10% van de poldergrond in beslag. Naarmate de 19 eeuw vorderde, werd de concurrentie met de stoomkracht groter.

Stoom in plaats van wind

De stoommachine had een aantal voordelen. Behalve dat zij niet afhankelijk was van wind, had ze een vrij hoog rendement en was geschikt voor een directe koppeling met een pompwerktuig. Het grootste pluspunt was echter dat het toerental goed geregeld kon worden. Met een stoommachine kon het water in de polder op een vrij constant peil worden gehouden. Nadeel was dat het veel tijd kostte om de machine bedrijfsklaar te maken. Een stoommachine was duur in de aanschaf, mede door de ketel, het ketelhuis, de schoorsteen en de fundering van het geheel. Eén stoomgemaal kon het werk doen van heel veel molens. Zo durfde men het nu zelfs aan om het grote Haarlemmermeer droog te malen. Slechts drie stoomgemalen zijn er voor nodig. In 1852 valt een oppervlakte van 18.000 ha droog!

Eenmaal buiten werking gesteld worden veel molens afgebroken. Tot men zich na verloop van tijd gaat realiseren dat het vertrouwde beeld van de molens uit het Hollandse landschap dreigt te verdwijnen. In de 20’er jaren nam bovendien de belangstelling voor de windenergie weer wat toe. Men wilde niet te veel afhankelijk zijn van de energievoorziening. Mede onder invloed van de aërodynamica, die toen ook in Nederland sterk in de belangstelling stond, werden proeven gedaan met het stroomlijnen van de wieken. De toepassing van de gestroomlijnde wiekvorm en het gebruik van kogellagers, maakten het mogelijk dat een molen al bij een wind van 4à 5 m/s kon werken. Tot 1991 gold de wettelijke verplichting voor de waterschappen om windwatermolens in stand te houden voor noodgevallen. Nog steeds worden in tijden van extreem hoog water de oude molens gebruikt om te helpen het land droog te houden. Vrijwilligers met een molenaars opleiding worden daarbij ingezet.

Stroom in de plaats van stoom

In de twintigste eeuw vervingen de elektrische gemalen op hun beurt weer de stoomgemalen. De electromotoren waren gemakkelijk te bedienen. Zowel de stoom- als de elektrische gemalen waren machines die in een eigen gebouw stonden en bediend, ja bijna vertroeteld, werden door een toegewijde machinist.

Tegenwoordig is een computer verantwoordelijk voor het in standhouden van het juiste polderpeil. Een gemaal wordt via een modem met een centrale post verbonden waar een registratie van peilstand, aantal maaluren, inbraak etc. binnenkomt. Automatisch waterkwantiteitsbeheer houdt in dat slechts enkele mensen zich met het waterpeil bezig houden. Was tot circa 1900 per gemaal tenminste één persoon nodig om voor de machines en werktuigen te zorgen, in de loop van de 20e eeuw nam het aantal af tot één persoon voor een aantal gemalen. Nu moeten enkele mensen het geautomatiseerde systeem bewaken en enkele anderen verzorgen de gemalen en verhelpen storingen.

De molenaar en de machinist worden bedankt! 

Bronvermelding : Stedelijk museum Alkmaar


🇳🇱  © JOIR Design - 2006 - 2017  |  Links  |  Downloads  |  Contact  |  Site Map  |  Disclaimer  |  Privacy  | Licentierechten  🇳🇱