>

De Schermer

Next


De Schermer polder is vooral een agrarische gebied met veel wegen op slingerdijken. Deze zijn vrijwel allemaal beperkt tot 60km/h.

De droogmakerij de Schermer bestond in 2014 ca 381 jaar. De Schermer heeft een oppervlakte van: 6.439 Ha.

Wil je iets beleven van het droogleggingsproces uit de 17e eeuw? Dan is de Schermer jouw gebied. De Schermer is de laatste grote droogmakerij gerealiseerd in de Gouden Eeuw. Alle kennis opgedaan in de andere droogmakerijen, werd hier toegepast. De Schermer is daarmee de ultieme overwinning van het land op het water.

Bijna drie eeuwen, vanaf 1633 tot 1929, is de Schermer polder met molens droog gehouden. In totaal 52 molens moesten in een strakke harmonie het water in vier etappes van polderniveau naar ringvaartniveau opmalen. Grote molengroepen hebben in drie eeuwen de omgeving van Schermerhorn en Driehuizen gedomineerd, terwijl op verschillende plaatsen in de polder ook molens actief waren.

Maar.... hoe is het begonnen:

In het kader van de eerste grote droogmaking, de Beemster, werd naarstig gezocht naar verbetering van de bestaande watermolens. Vele uitvinders wilden hun geluk wel beproeven omdat de in het vooruitzicht gestelde beloningen fors waren, maar een strenge selectie op haalbaarheid deed de ster van een timmerman/molenbouwer uit De Rijp boven allen uitstijgen:

Jan Adriaansz. Leeghwater

  • In het NCRV programma Kaaskoppen en Waterlanders werd op 13 februari 2008 aandacht besteed aan Jan Adriaenszoon Leeghwater.
  • Nederland is in de zestiende eeuw niet alleen het toneel van de strijd tegen de Spanjaarden, maar ook van de strijd tegen het water. Jan Adriaenszoon Leeghwater wordt het symbool van de Hollandse strijd tegen het water, maar was hij nu werkelijk de Leonardo da Vinci van de Lage Landen?



Hij ontwikkelde de bekende achtkante molen tot een bouwpakket dat weer uit elkaar genomen en elders opnieuw opgebouwd kon worden. In 't algemeen werden molens eerst 'kaal', d.w.z. zonder rietbekleding en binnenbetimmering gebruikt om zo snel mogelijk aan de slag te kunnen. Soms werd de molen tijdens het leegpompen nog verplaatst en later pas ingericht voor permanente bewoning door een molenaar(sgezin).

Grofweg kon zo'n vroeg-17de-eeuwse molen het water een kleine meter hoog opvoeren.

Om meren als de Beemster, Schermer en Purmer aan te kunnen dienden de molens in een driespan (molengang) samen te werken, waarbij de onderste molen het water in een hoger gelegen kolk pompte waar het door de middenmolen weer naar de bovenmolen opgevoerd werd.


Een tekening van Leeghwater hiernaast illustreert dat. 



Soms is er ook sprake van een vierde trap, die naar de 'strijkmolens'.

Al snel leerde men dat het pompen het beste aan de oostzijde van het meer kon plaatsvinden omdat daar door de overheersende westelijke winden het water opwaaide.

Talrijk zijn de pogingen om de capaciteit van molens te verbeteren om zo de hoge kosten van exploitatie naar beneden te krijgen. Er zijn uiteindelijk tot de invoering van het stoomgemaal maar twee verbeteringen die daarin slagen: de vervanging van het scheprad door de vijzel (zie hieronder) en de vervanging van houten roeden (ruggengraat van de wieken) en assen door ijzer.


Werking van een scheprad

animatie scheprad

De droogmaking begon met een flink aantal molens tegen de nieuw aangelegde ringdijk. De capaciteit was groot zolang de schepraderen diep in het water staken.

Naarmate het waterpeil zakte werd dat minder en tijd voor de tweede trap, de lager gelegen middenmolen. Na weer verder dalen van het peil kon de derde, de ondermolen geplaatst worden. Door het opwerpen van een dijkje hadden de twee bovenste niveaus een eigen boezem, de onderste moest het water tot aan de bodem wegmalen waarvoor op de bodem van het meer zelfs sloten werden gegraven.

Door het volpompen van de boezem bleven de hoger gelegen molens op topcapaciteit draaien.

Een molengang betreft dus altijd 2 of 3 molens op verschillend niveau. Wel stonden meerdere van deze molengangen direct naast elkaar, zodat op oude foto's moeilijk is uit te maken hoe een en ander georganiseerd was.

Er is nog wel een tweetraps molengang te zien, tussen Schermerhorn en Ursem aan de oostelijke Schermerdijk. De driespannen die u in de Schermer nog kunt zien zijn daar uit monumentale overwegingen neergezet en geen echte molengangen.



In 1830 werden de eerste 3 molens in de Beemster van een vijzel voorzien (zie tekening hiernaast ). 

Deze vinding maakte dat het water hoger en efficienter opgewerkt kon worden.

In de periode tot 1860 waren alle molens in Noord-Holland in die zin omgebouwd.

Zo'n vervijzelde molen is nog steeds in werking te zien in de museummolen aan de Schermerringdijk nabij Schermerhorn.

De opstelling van kolken, sloten en omliggende molens doen vermoeden dat het hier om een authentieke molengang gaat maar helemaal zeker ben ik daar niet van.

Deze verbetering aan het molenprincipe luidde de doodsklok voor de eerste serie molens. Het was nu vaak mogelijk met twee molens hetzelfde werk te doen als voorheen met drie.

De grootste klap voor het molenbestand kwam met de invoering van het stoomgemaal. 

Men liet de molens in eerste instantie als reserve staan omdat de techniek hen nog wel eens in de steek liet. Toen de techniek verbeterde werden allengs veel molens opgedoekt.

Wat er nu nog staat is door het veranderende besef over het historisch belang van watermolens als het belangrijkste werktuig waarmee Noord-Holland zichzelf heeft weten te beschermen tegen het oprukkende water.


Het uiteindelijke drooghouden, het bemalen van een polder vergt weer een andere opstelling van de molens.

Door een stelsel van sloten in de polderbodem wordt de afwatering van de landerijen gewaarborgd door het peil in die sloten onder de bodem te houden, waardoor de ondermolens nog dieper moesten malen.

De landerijen werden door kleine molentjes 'onderbemalen'. Van dit type is op de Zaanse Schans te Zaandam nog een voorbeeld te zien, in werking helaas alleen nog op Nationale Molendag als er een paar vrijwilligers te vinden zijn.

de waterhuishouding in een polder is afhankelijk van de bestemming van het land. Gewassen vragen een drogere polder dan grasland en daarom zijn polders opgedeeld in kleine gebiedjes met elk een eigen waterpeil.

Noord Holland bestond vroeger uit een uitgebreid veengebied. Door het inklinken van de bodem en de stijging van de zeespiegel onstond er een gevaar voor overstroming, zoals al eerder met de Waddenzee en de Zuiderzee was gebeurd.

Veel van deze veengebieden werden onvoldoende bedijkt waardoor er grote binnenmeren ontstonden die in open verbinding met de zee stonden en daardoor een constante bedreiging voor het oude land vormden.

De belangrijkste aanleiding tot het droogmaken van de grote Noord Hollandse binnenmeren had eerder te maken met de beveiliging van het oude land dan met het winnen van goede en vruchtbare landbouwgrond.

In het jaar 1631 vroegen enige rijke Alkmaarders octrooi aan met het recht om de Schermeer, op naam van de stad Alkmaar droog te maken.

De overheid verleende octrooi werden alle dijken, kaden, vaarwegen en kavels nauwkeurig omschreven.

De gehele operatie koste veel geld en rijke kooplieden uit Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en Alkmaar waren de belangrijkste financiers.

Bronvermelding : Stedelijk Museum Alkmaar




<< Hiernaast kunt u zien hoe de molens, die de Schermer

     droog maalden, stonden opgesteld.










Bronvermelding:  Filmclub Heerhugowaard > Zie aftiteling van deze film



🇳🇱  © JOIR Design - 2006 - 2017  |  Links  |  Downloads  |  Contact  |  Site Map  |  Disclaimer  |  Privacy  | Licentierechten  🇳🇱