>

Profiteurs

Previous



Er waren verschillende redenen geweest om de meren droog te leggen. 

Maar heeft het ook datgene gebracht wat er van verwacht werd?

We zullen eens proberen vanuit verschillende standpunten het resultaat kritisch te bekijken.

De bedijkers

Was de polder eenmaal klaar dan verpachtten de eigenaren het land aan boeren. Zij bleven in de stad wonen maar kwamen graag in de zomer naar hun bezit toe om er de hitte en de stank van de stad te ontvluchten. Op de boerderijen waren kamers waarin zij hun intrek namen en lieten zich daar goed bedienen. Ook werden er buitenhuizen gebouwd omgeven met mooie tuinen. Maar de bedijkers waren in de eerste plaats uit geweest op winst. Ze wisten dat ze daarbij een fors risico namen.

Het droogleggen van het Schermeer koste f 4.000.000,--. Dat kwam neer op f 740,-- per morgen land!! En je moest nog maar afwachten wat voor een soort gronden er boven water zouden komen. Lang niet altijd bleken die vruchtbaar te zijn.

De Heerhugowaard was een forse tegenvaller. De grond bleek van slechte kwaliteit en in 1674 heeft men zelfs overwogen om hem maar weer onder water te laten lopen. ‘Beter goed viswater dan slechte landbouwgrond’, meende men. Ook de Schermer en de Beemster waren aanvankelijk niet zo’n succes. Het was de bedoeling dat er graan verbouwd zou gaan worden waarmee de vele Amsterdamse monden gevoed konden worden. Hoewel de heren van de Beemstercompagnie al in het eerste jaar na de drooglegging 17,5% rente van hun investering hadden mogen innen, bleek het land op den duur toch veel geschikter voor de veeteelt. De sterke inklinking zorgde ervoor dat de bodem soms in enkele tientallen jaren 1 meter was gedaald. In de Beemster die in 1612 droogviel, was de bodem in 1632 zó sterk gedaald dat er een vierde molengang moest worden gebouwd.

Maar voor de veeteelt bleken de droogmakerijen juist heel geschikt. De Beemster en Schermer veeteeltproducten, zoals wol, vlees, boter en kaas, genoten zelfs enige faam. Via goede waterverbindingen vonden ze snel hun weg naar de steden.

Deense ossen in Hollandse weiden

De vraag naar vlees in de Hollandse steden was zo groot, dat de inlandse veefokkerij er niet aan kon voldoen. Daarom kwam al in de late middeleeuwen een internationale handel in slachtossen (gecastreerde stieren) op gang. Voor de Nederlanden was Denemarken de belangrijkste veeproducent. Na 1500 nam de handel in magere ossen een hoge vlucht. Het gewest Holland importeerde in het topjaar 1652 maar liefst 26.000 Deense ossen. De aangevoerde dieren waren vijf à zes jaar oud en de laatste winter op grote landgoederen afgemest op stal.

In het voorjaar kochten handelaren de ossen op en dreven of verscheepten de dieren naar de grote ossenmarkten in Hoorn en later Enkhuizen en Amsterdam. De tijdens de reis flink vermagerde ossen vraten zich nog een zomer lang vet op de grazige Hollandse weiden. In het najaar volgde de slacht. Met name de Beemster was beroemd om zijn vette ossen.Na 1625 gingen Hollandse kooplieden en grootgrondbezitters buiten de tussenhandel om zelf in Denemarken ossen inkopen. Onder hen treffen we de gefortuneerde Amsterdamse koopman en hoofdingeland, heemraad en dijkgraaf van de Beemster Joseph Deutz (1624-1684) aan.

Hij bezat de fraaie hofstede "Het Pannenhuys" bij De Rijp met twee kavels land. Naderhand kocht hij hier nog twee kavels bij. Deutz werkte vanaf 1669 met een serie pachters en andere landeigenaren en leden van het polderbestuur samen in een steeds wisselende compagnie. Vertegenwoordigers van de participanten in deze onderneming reisden in de herfst naar Denemarken waar honderden ossen werden ingekocht. In het voorjaar arriveerde het vee in de Beemster. Daar werd het verdeeld onder de leden van de compagnie en met brandijzers gemerkt. In de slachtmaand november gingen de gemeste ossen naar de markt of Deutz leverde ze direct aan bepaalde slagers. Zijn grootste klant was overigens de V.O.C. die op grote schaal ossen kocht en het gerookte of gepekelde vlees als proviand meegaf aan de schepen naar Indië.

Bron/Auteur: D. Ate

Alkmaar

Al in 1546 kreeg Alkmaar van Karel V het recht om op alle dagen markt te mogen houden. De vaste marktdagen waren donderdag, vrijdag en zaterdag. Maar als het weer tegen zat en de mensen de stad niet konden bereiken dan mocht er ook op de andere dagen gehandeld worden. Niet alleen op straat maar ook in de winkels en herbergen kwam men mensen tegen uit de wijde omgeving. Zij kwamen over land en … over het water naar de stad om hun producten te verkopen en om boodschappen te doen. In Alkmaar vreesde men dat door het droogleggen van het Schermeer de scheepvaartverbinding met de omliggende dorpen zou verdwijnen en de mensen daar vandaan zouden weg blijven. Daarom eiste de stad dat in de Schermerpolder een hoofdvaart zou komen die de verbinding tussen Schermerhorn en Alkmaar zou vormen. Door middel van een overtoom konden de schepen dan toch uit de polder komen en de schepen uit de omliggende dorpen konden over de ringvaart de stad bereiken.

Uit de Beemster en de Schermer kwamen nu veel veeteeltproducten op de markt. De aanvoer van kaas nam enorm toe. Kaasdrager werd een beroep. Voor de productie van kaas waren tonnen nodig waardoor de kuipers weer veel werk kregen. Andere producten uit de polders waren vis, paarden, schapen, varkens, kippen en eieren. Op marktdagen was het zo druk op het water dat er bij de knelpunten die de sluizen en overtomen waren files ontstonden. Ook was het een probleem om een plaatsje aan de kades te vinden. Om het gescheld en geruzie over een afmeer plaats niet uit de hand te laten lopen wezen de regenten van Alkmaar in 1722 aan de veer- en marktschuiten en de kaas- en eierschuitjes uit maar liefst 38 dorpen ieder een eigen ligplaats toe.

Als je door het Stedelijk museum van Alkmaar loopt dan zie je op schilderijen en in voorwerpen die er opgesteld zijn steeds weer de invloed die het platteland op het leven in de stad gehad heeft terug. Heel veel zeggend is het grote tegeltableau dat eens de gevel van de waag sierde. Daarop zie je het silhouet van de stad. De Alkmaarse stedenmaagd heeft de godinnen van de landbouw en van de handel onder haar bescherming genomen. Maar tegelijkertijd steunt de stad ook op de landbouw!


Noord-Hollandse plattelanders in de 16e, 17e en 18e eeuw Een vergelijking


Noord-Hollandse plattelanders in de zestiende eeuw

Land en water geven vorm aan het leven van de mensen. Toen al de grote meren nog open lagen, moesten de Noordhollandse plattelanders antwoord vinden op de problemen van dat speciale natuurlijke milieu, en bepaalde dat in hoge mate de wijze waarop zij de kost verdienden.

Er was weinig land en veel water: Bestrijding van wateroverlast viel de zestiende-eeuwers zeer zwaar, en dat had vanzelfsprekend gevolgen voor de kwaliteit van de grond. Akkerbouw was eigenlijk alleen mogelijk op de geestgronden achter de duinen. Noord-Holland produceerde dus heel weinig graan. Het meeste voedsel dat hier gegeten werd moest worden aangevoerd en betaald met het geld dat buiten de akkerbouw verdiend was.

Konden de plattelanders van Hollands Noorderkwartier in de zestiende eeuw daarin slagen? We weten iets over hun omstandigheden uit twee belangrijke bronnen, die bekend staan als de Enqueste (van 1494) en de Informacie (van 1514). Beide stukken zijn bedoeld om de overheid inzicht te geven in de draagkracht van de bevolking. Beide laten zien dat de mensen zich slechts moeizaam staande hielden.

Wat vooral blijkt is dat ieder bereid moest zijn elk soort werk op zich te nemen. Er zijn wel enkele welgestelde veehouders, die naast hun bedrijf geen andere bron van inkomsten hoeven te zoeken. Maar verreweg de meesten kunnen we niet boer, visser, dijkwerker of matroos noemen. Ze zijn al die dingen tegelijk en nog veel meer. Het zijn mannen die alles kunnen zonder in iets gespecialiseerd te zijn. En wat zij niet doen pakken hun vrouwen aan. De Ransdorpers zijn weinig thuis, meld de Informacie van 1514; op de grond waar ze wonnen valt niets te verdienen, behalve dan dat hun vrouwen een paar koeien verzorgen:’alleen dat heur wijfs mogen houden een coyken of twee’.

Koeien had ook het armste huishouden. Maar op de drassige weiden konden niet veel dieren grazen, en daarom was de Noordhollandse veehouderij toen vooral een nevenwerkzaamheid. Het land kon weinig mensen voeden. Ze moesten het dus van het water hebben. Voornaamste bron van werkgelegenheid is in die tijd de visserij geweest. Sommigen voeren uit met de haringvloot naar de Noordzee. Anderen bleven op de Zuiderzee, en niet weinigen tenslotte vonden emplooi in de zoetwatervisserij op de grote meren. Baars en karper werden op Noordhollandse tafels nog regelmatig opgediend. Met de grote droogmakerijen van de zeventiende eeuw zouden ze pas van het menu verdwijnen.

Bron/Auteur : A.Th. van Deursen


Noord-Hollandse plattelanders in de zeventiende eeuw

De welvaart van de Gouden Eeuw heeft naar ons aller besef haar zuiverste representant in de Amsterdamse koopman. We zoeken het geld vooral in de steden, en we nemen aan dat het verdiend is in de handel. Daarin hebben we ook geen ongelijk. Wat brengt ons zo dicht bij de zeventiende eeuw als een wandeling langs de Herengracht. Daar zien we een concentratie van tot steen geworden rijkdom. Maar kenmerkend voor de zeventiende eeuw was juist de grote spreiding van de welvaart. Hoeveel mooie raadhuizen staan er niet in de dorpen van het Noordhollandse platteland? Ook daar heeft de Gouden Eeuw haar sporen nagelaten.

Vergelijken we die eeuw met haar voorgangster, dan is er geen belangrijke uitbreiding van de akkerbouw te zien. De hoeveelheid land is door de grote droogmakerijen enorm toegenomen, maar de nieuwe grond is vooral voor de veeteelt bestemd geweest. In Beemster en Purmer zijn het echter niet de armoedige tweerundsbedrijfjes die domineren. De meeste boeren beschikken hier over twintig of dertig morgen land. De grond is bovendien van aanzienlijk betere kwaliteit dan in de oude polders, en de melkopbrengsten stijgen geweldig. Alkmaar verwerft een onaantastbare positie als grootste kaasmarkt van de Nederlanden.

Het is daarom, dat Noord-Holland nu een exporterend gebied kan worden. Het heeft produkten aan te bieden waarnaar in wijde omtrek vraag is, ook buiten de Nederlanden. Hollands rijkdom is Hollands handel, maar een belangrijk deel van de handelsgoederen wordt geleverd door Hollands landbouw. De boeren hebben in de winsten van de Gouden Eeuw hun deel gehad.

De veeteelt bracht geld binnen, maar gaf weinig mensen werk. Al in de zestiende eeuw hadden veel mannen hun brood op het water moeten verdienen, bij gebrek aan werkgelegenheid te land. De uitbreiding van de handelsvloot in de zeventiende eeuw deed de vraag naar matrozen sterk genoeg stijgen om de Hollandse bevolkingsgroei op te vangen. Er zijn in de zeventiende eeuw in Noord-Holland dorpen geweest, waar de helft of meer van de mannen zeevarend was.

De groei van de zeevaart was tevens verantwoordelijk voor de ontplooiing van de nijverheid op het Noordhollandse platteland, vooral in de Zaanstreek. In 1630 werden in dat gebied 128 industriemolens gevonden. Een eeuw later waren het er 584. De Gouden Eeuw heeft misschien ook wel nergens langer geduurd dan aan de Zaan. Maar de beste jaren voor het Hollandse platteland waren toen al voorbij.

Bron/Auteur : A.Th. van Deursen


Noord-Hollandse plattelanders in de achttiende eeuw

Opkomst, bloei, verval. Dat is één van die vaste schema’s, die dadelijk wantrouwen oproepen. Is de geschiedenis wel zo’n overzichtelijke afwisseling van licht en donker? Zo langzamerhand is het inzicht gegroeid, dat de achttiende eeuw niet zo’n kras contrast met de zeventiende eeuw oplevert als vroeger is aangenomen. Maar toch, bij vergelijking blijft het oude schema gelden. Het ging de achttiende- eeuwers slechter dan hun voorvaderen.

Voor de veeboeren begonnen de moeilijke jaren al aan het einde van de zeventiende eeuw. Hollandse schippers hadden Hollandse produkten ingeladen en in heel Europa verkocht. Toen andere landen steeds bewuster hun eigen handel en scheepvaart gingen stimuleren werd de markt voor de Hollanders kleiner. Bleef dan de produktie gelijk, dan moest dat onherroepelijk leiden tot dalende inkomsten voor de boeren.

Zwakke bedrijven worden altijd het zwaarst getroffen door crises. Mede daarom hebben de veepestepidemieën van de achttiende eeuw zo’n treurige vermaardheid verworven. Maar ze zouden ook een kerngezonde veeteelt aan het wankelen gebracht hebben. De meeste boeren maakten wel twee grote epidemieën mee, als ze de eerste tenminste doorstonden. Vooral in de tweede helft van de achttiende eeuw grensde de toestand aan het rampzalige.

De plattelandsnijverheid vertoonde bij het aanbreken van de eeuw nog geen tekenen van verval. De Zaanse scheepsbouw groeide zelfs, en heeft dat tot ongeveer 1740 kunnen volhouden. Daarna ging het slechter, en zoals het heet, werd dat veroorzaakt door de verzanding van de Voorzaan.

Bron/Auteur : A.Th. van Deursen


 Bronvermelding : stedelijk museum Alkmaar


🇳🇱  © JOIR Design - 2006 - 2017  |  Links  |  Downloads  |  Contact  |  Site Map  |  Disclaimer  |  Privacy  | Licentierechten  🇳🇱