>

De Molenbuurt in de Zuidschermer


Twee molens en een huisje

Kleine geschiedenis van de molenbuurt in de Zuidschermer

De Schermer werd van 1933-1935 met de hulp van watermolens drooggemaakt. Aan de dijk tussen Westgraftdijk en Driehuizen stonden eeuwenlang 16 watermolens: 6 bovenmolens,  5 ondermolens en 5 middenmolens. De dijk werd Molenbuurt genoemd. In de 20e eeuw zijn de molens afgebroken en is de naam Molenbuurt verdwenen. Aan plaatselijke verbredingen van de onderdijk is in 2015 nog steeds te zien waar eens de molens stonden.

De molens

De molenbuurt tussen Westgraftdijk en Driehuizen, geschilderd in 1931 door Colnot

Het onderste deel van de molen werd bewoond door de molenaar en zijn gezin. In dit kleine  woongedeelte werd geleefd, gekookt  en (in bedsteden) geslapen. Tussen 1850 en 1890 werd het grote waterrad vervangen door een vijzel en de woonruimte iets groter.  Een welkome verbetering voor de  vaak grote gezinnen. De molenaar was in dienst van de polder de Schermeer, het polderbestuur bepaalde de hoogte van het maalloon en de vergoedingen in natura. Het maalloon was laag, maar molenaar had “vrij” wonen en mocht gebruik maken van het lapje grond rond de molen . Er was ruimte voor een moestuin, een schuurtje voor klein vee en soms zelfs een koe. Met een beetje geluk kon het riet rond de molen worden gebundeld en verkocht  zoals blijkt uit deze advertentie van 1925.

Schoon Riet


Als de molen niet maalde verhuurde de molenaar zich als knecht op de timmerwerf, als kroos en baggeraar of deed ander werk.  Nooit vast werk, want de molen ging altijd voor en wind en regen waren onvoorspelbaar. Het inkomen van het molenaarsgezin bleef ook met alle nevenactiviteiten gering. In het archief van het waterschap de Schermeer (Regionaal Archief Alkmaar) zijn veel brieven bewaard waarmee de molenaars het polderbestuur vragen  hun levenssituatie te verbeteren.  Overigens zonder veel resultaat. Er bestond een grote sociale afstand tussen arbeiders en het polderbestuur. Hoe diep het ontzag  tijdens het feest in 1833 (200 jaar bestaan van de Schermeer) voor de Hoge Heren was beschrijft J Schilstra in het  boek Schermerland:  De bewoners hebben staan kijken naar de aankomst van het polderjacht, dat de gasten van de Omval had afgehaald, en naar de optocht van bestuurders en gasten naar de kerk met twee boden voorop. Van het feestmaal voor de vele  gasten in het Noorder Polderhuis hebben zij stellig gehoord, ook dat de polderbaas Gerrit Boldewijn met zijn twee collega’s onder het nagerecht binnen mocht komen om zijn gelukwensen aan te bieden en zo onder de indruk kwam dat hij zijn gedicht niet durfde oplezen.  Maar de verhoudingen tussen bestuurders en werkvolk veranderde toen eind 19e eeuw het socialisme meer maatschappelijke en politieke macht kreeg. Ook de watermolenaars van de Schermeer begrepen dat eenheid macht maakt en in 1918 werd molenbond “de Eendracht “opgericht. Op 1 juli van dat jaar schrijft de secretaris van de Eendracht aan het polderbestuur:  Hoe zal het deze winter wezen met de verlichting? Het staat er nu al duister voor, maar we zullen hopen dat U edele al het mogelijke in het werk zal stellen om er bij de regering op aan te dringen ons zo goed mogelijk van petroleum en kaarsen te voorzien, zo mogelijk het rantsoen van vroeger weer in ere te herstellen (nb: in 1914 was de vergoeding in natura vervangen door  8 gulden per jaar voor petroleum, kaarsen en lucifers ). Ook werd het maalloon dat jaar verhoogd tot 400 gulden per jaar. In 1921 trad de pensioenwet in werking en het polderbestuur moest onderhandelen met de molenaarsbond over uitkeringen, het ging immers over grote bedragen. Sociale wetten, kritische rapporten van gezondheidsinspecties over de levenssituatie van de molenaars en de toenemende macht van de vakbonden hebben een grote invloed gehad op de beslissing die het polderbestuur in 1924 nam: de functie van de watermolens in de Schermeer zal worden overgenomen door  3 elektrische gemalen.


 1928 werden het Zuiderpolderhuis en molen 15 afgebroken om plaats te maken voor het gemaal Juliana. In de jaren daarna werden de molens als ‘afbraak’ te koop aangeboden zoals blijkt uit deze advertentie in de Alkmaarsche Courant van 1932.





Het Zuiderpolderhuis

Molens 6 en 7 van de Molenbuurt

Molens 6 en 7 zijn middenmolens, gebouwd tussen 1633 en 1652 en waarschijnlijk in 1932  gesloopt. De molens staan in de schermer, maar behoren kadastraal tot de gemeente Graft. In molen 7 woont Sieuwerd (ook Simon genoemd) Voogt. Hij is 16 april 1878 geboren in Graft en trouwt op 3 mei 1903 met Pietertje Eckhart, geboren op 21 maart 1880 in Markenbinnen.


Het echtpaar neemt  in 1905 een 6 maanden oud kind in huis, het in Amsterdam geboren jongetje Willem de Haas. Hij is het kind van Willem de Haas, van beroep nachtwaker en Hillemijntje Nol, zonder beroep.  Dit jongetje blijft het enig kind van Simon en Pietertje Voogt en wordt door al snel door iedereen Willem Voogt genoemd.


Molen 7

In molen nr 6 woont het echtpaar Dekker-de Graaf.  Zijn zij ook kinderloos? Er wonen voor zo ver bekend geen kinderen (meer) thuis als dit echtpaar in 1917 besluit hun 11 jarig nichtje Anne Wagen uit Barsingerhorn in huis te nemen. Anne is de dochter van Gerrit Wagen, van beroep venter en van Trijntje de Graaf, zonder beroep.

Molen 6

De kinderen van molens 6 en 7

De kinderen Willem en Anne zijn bijna even oud en gaan dagelijks naar de lagere school in Westgraftdijk . Het is gezellig om samen te lopen met de kinderen uit de andere molens en het huisje aan de dijk. Allemaal lopen ze op klompen over het smalle grinddijkje, Anne en Willem  zwaaien altijd even naar ome Jan Voogt uit de bovenmolen verderop aan de dijk. In de ringvaart varen veel boten.  De vissers in hun roeibootjes, de melkschuit , het turfschip, vrachtvaarder Van Tiel uit Grootschermer die iedere dinsdag vee van en naar de markt in Purmerend vaart. Soms zien ze dat kippenboer Bankersen van de overkant meevaart om zelf zijn kippen te verkopen. Aan het eind van de dijk staat het deftige  huis “het witte paleis” met de grote boomgaard dat van de familie Graftdijk is geweest. Nu wordt het bewoond door de familie Spaan.


Verder langs het kanaal lopen de kinderen voorbij de brugwachterwoning en gaan linksaf naar het lange bruggetje. Over de sluiskade met de winkel, de kapper, het café naar het kerkplein.  Op de hoek waarschuwt  het bord “voorzichtig school” het verkeer om rustig te rijden. Maar Anne en Willem zien zelden een auto of motor in het dorp. 


In het dorp zijn veel winkels, soms hebben Anne en Willem een boodschappenbriefje mee. Meestal voor de winkel van Stam waar in de Sinterklaastijd  zo veel te zien is. Speelgoed en boeken zijn er niet of nauwelijks in de molen, maar Willem en Anne vervelen zich niet. Als zij thuiskomen moet  Anne tante in huis helpen of breien. Willem is graag buiten, hij helpt in de moestuin, voert de konijnen en kippen. Hij helpt zijn vader met hooien, riet snijden en zorgt voor de schapen op het landje naast de molen. Het zijn de bijverdiensten die het karig molenaarsloon aanvullen en zorgen voor een gestaag groeiende rekening op de bank in Westgraftdijk. In 1916 heerst de Spaanse Griep in Europa. Ook in Noord-Holland vallen slachtoffers maar de bewoners van molen 6 en 7 ontlopen de dans. Als Anne en Willem de school volledig doorlopen hebben, blijft Anne thuis, tante is al jaren ziekelijk en heeft steeds meer verzorging nodig.  Willem wordt boerenknecht , hij houdt van het werk op het land en met zijn rustige karakter kan hij goed met de werkpaarden omgaan. Willem en Anne zien elkaar als buurkinderen dagelijks. Soms zijn er muzikanten in Westgraftdijk en gaan ze samen dansen in café Vislust,  een  toneel of muziek uitvoering en een enkele keer naar een filmvertoning in het dorp.  Ieder jaar in september is het kermis in Westgraftdijk en een maand later in Driehuizen. Het zijn de  hoogtepunten in het leven van Willem en Anne.  En dan worden ze verliefd. Op 4 september 1926 trouwen in het gemeentehuis van Graft Willem de Haas, oud 21 jaar, beroep landbouwer en  Anne Wagen, oud tweeëntwintig jaren en zonder beroep. Sieuwerd en Jan Voogt zijn de getuigen. Politiek, sociaal en economisch gaat het jonge stel binnen enkele jaren een onrustige tijd tegemoet maar Anne en Willem zijn gelukkig met elkaar. 

Het huisje tussen de molens 

Ergens in de 18e eeuw wordt aan de bovendijk tussen molen 6 en 7 een huisje gebouwd. De molens zijn begin 20e eeuw afgebroken, het huisje staat er nog. De exacte bouwdatum is niet bekend. Was het een schuilhut voor arbeiders die werkten aan de droogmakerij? Werd het clandestien gebouwd? Op oude kaarten is het niet ingetekend. De tegeltjes in de schouw dateren van 1732. Het is aannemelijk dat het in die periode reeds als woning in gebruik werd genomen. Op de kadasterkaart van 1832 staat (de reeds eerder genoemde) Gerrit Boldewijn als eigenaar /bewoner van het huisje geregistreerd, hij is van 1824 tot 1834 timmerbaas van de naastgelegen zuiderwerf. In 1835 bouwt hij (volgens overlevering) aan de noordkant een identiek huisje tegen het oorspronkelijke huisje aan.  Voor zover bekend verkoopt hij het inmiddels  dubbele woonhuis aan Jan Modder en Antje Kompas. Jan Modder is eveneens timmerman, zijn vader watermolenaar. Zij trouwen in 1881 en zijn waarschijnlijk direct in het noord- of zuidhuisje gaan wonen, hun zoon Dirk wordt  in 1889 in Graft (de huisjes waren kadastraal van de gemeente Graft) geboren.  Aan wie zij het andere huisje verhuren is niet bekend. Als in 1924 het polderbestuur besluit om 3 gemalen te bouwen weten de watermolenaars dat hun molens niet meer onderhouden en in de toekomst afgebroken worden. In 1926 koopt Sieuwerd Voogt de twee huisjes van Jan en Antje Modder. Dit echtpaar verhuist in 1927 naar Schermerhorn, waar Antje in dat zelfde jaar overlijdt.  Jan modder overlijdt in 1940, eveneens in Schermerhorn. Sieuwerd en Pietertje Voogt gaan in het noordhuisje wonen,  zoon Willem en schoondochter Anne huren het zuidhuisje. In 1929 wordt het elektrische gemaal Juliana in gebruik genomen. Als Anne en Willem 6 jaar getrouwd zijn worden de molens waarin zij opgegroeid zijn gesloopt.

Het oudste (zuid)huisje heeft dunne sparretjes als  balken en kapspanten en geen dakbeschot. Tussen de kapspanten is riet, een goedkope maar zeer tochtige bedekking. Om de ergste tocht tegen te gaan  zijn er oude suikerzakken tegenaan gespijkerd.  Het in 1835 aangebouwde noordhuisje heeft vierkante balken met een mooie hoekverbinding tussen de stijl en de zolderbalk. Degelijk verbonden met houten pennen. De punt van de stijl , waarop de muurplaat rust,  is taps afgewerkt.  Dit huisje heeft een houten dakbeschot bestaande uit kop-staart delen zonder mes en ploeg verbinding. Het is gebouwd door een kundig timmerbaas. Midden jaren ’30 van de vorige eeuw blijkt het plafond van het oudste huisje zo sterk door de houtworm aangetast dat het op een dag deels op tafel belandt. Dit tot grote schrik van Anne en Willem.  Het plafon wordt gerestaureerd door de Driehuizer timmerman Keetman. In het nieuwe plafond wordt opnieuw een  klein luikje  gemaakt. Het plafond van de woonkamer is namelijk zo laag dat de lampenkap wel in de kamer , maar de ketting  aan een kapspant op zolder moet hangen. De beide huisjes zijn in spiegelbeeld identiek. Een voordeur met een gang tussen woonkamer en slaapkamer. In de gang hangt de ladder om op de zolder met kleine slaapkamer te komen.  Achter het huis is een aangebouwd keukentje en in het midden een gemeenschappelijke  grote waterput.  Beide huisjes hebben een pleetje op de sloot. Tot eind jaren ’20 is de buitenkant rondom van zwartgeteerde brede planken gemaakt , horizontaal gelegd. Het omzetten van hout in steen beslaat ongeveer 10 jaar. Voor ieder deel wordt eerst gespaard. De westkant is het eerst aan de beurt. Het hout wordt vervangen door een halfsteens gemetselde muur die later ver zal gaan zakken en naar achter buigen. Het is aannemelijk dat er nooit onder geheid is. De verbouwing aan de westkant is voor 1926 uitgevoerd, waarschijnlijk door Jan Modder. De zuid en noordkant volgen als Sieuwert Voogt eigenaar is. De oostkant is als laatste aan de beurt. 


 

De voorkant van de huisjes begin jaren ‘30

De luiken zijn rood-wit geschilderd en worden winterdag in de avond gesloten.  Op de foto is het niet zichtbaar maar links van de deur is het hout reeds vervangen door een stenen muur. Het werk is gedaan door timmerman  Manus uit Amsterdam. Manus heeft in de jaren ’30 op het erf van Willem en Anne een TBC  huisje voor zijn vrouw gebouwd, zij wonen hier zomers. Ondanks de goede zorgen van Anne, dagelijks verse groenten uit de tuin, volle melk van achterbuurman Lakeman en de gezonde Schermer lucht wordt de vrouw van Manus niet beter. Of het echtpaar Amsterdamse familie is van Willem is onbekend. Manus blijft na het overlijden van zijn vrouw nog vele zomers in het TBC huisje logeren.

Rond 1950 zijn de luiken verdwenen; het noordhuisje heeft deels stenen muren.

 1965; de grote moestuin aan de zuidkant 

 

 1975; het noordhuisje is vergroot, het witte gebouwtje is het TBC huisje van Manus

In de jaren ’50 krijgen de huisjes een PEN aansluiting. De bewoners moeten zelf de kabelgeul graven. Samen met de buren van de Oudelandsdijk wordt in 1 week  een geul in de onderdijk gespit vanaf Westgraftdijk tot de boerderij van Wezelenburg. Vandaar wordt een kabel onder de ringvaart door naar de huisjes in de Molenbuurt getrokken. Het luikje voor de peterolielamp in de kamer van Willem en Anne gaat definitief dicht. In 1961 worden de huisjes aangesloten op het waterleidingnet en 5 jaar later wordt de waterput gedempt met het restant van de oude schoorsteen en krijgen beide huisjes een badkamer met een wc. Het noordhuisje krijgt een boiler en douche. De pleetjes op de sloot worden gesloopt. Begin jaren ’70 komt er telefoonaansluiting  en in 1990 worden de huisjes aangesloten op de aardgasleiding. De moderne tijd doet voorgoed zijn intrede in de huisjes in de Molenbuurt.

De bewoners van de huisjes na 1926

Een foto van de achterkant (westen).  De westelijke en zuidmuur zijn van steen, het aangebouwde keukentje  van hout en  scheefgezakt. Voor het eveneens scheefgezakte schuurtje staat een regenton maar gezien de slechte staat van de ton waarschijnlijk in gebruik voor iets anders. De deur naar het keukentje staat open.  Anne (links) en Willem begin jaren ’30 met een onbekende dame in zondagse kledij, alhoewel Anne haar pantoffels nog aanheeft. Het is een mooie zomerdag, misschien een zondag of een feestdag. De koffergrammofoon staat nog open. Hebben zij net gedanst? Gaan ze die avond uit?

In de crisistijd verliest Willem zijn baan als boerenknecht in vaste dienst.  Hij wordt dagloner. Anne als wasvrouw of schoonmaakster, maar ook dit zijn tijdelijke banen. Zij zijn gewend aan een karig inkomen en ook nu zijn de moestuin, de kleine boomgaard, de kippen, eenden en niet te vergeten de opbrengst van de vaars die Willem samen met zijn vader vetmest op het landje dat hij pacht een welkome financiële aanvulling.

 

1938 Alkmaarsche Courant

Moeder Pietertje Voogt  krijgt gezondheidsklachten. Dokter Koppen uit Westgraftdijk stuurt haar voor onderzoek naar het ziekenhuis in Alkmaar, daar wordt duidelijk dat zij niet meer herstelt. Samen met wijkzuster Hiemstra zorgt Anne zo goed mogelijk voor haar schoonmoeder. In 1937 overlijdt Pietertje Voogt-Eckhart.

Sieuwert  Voogt blijft tot zijn pensioen  wegwerker bij de polder de Schermeer en  blijft in het noordhuisje wonen tot hij begin jaren ’40 naar Wormerveer verhuist.  Iedere week komt hij fietsend op bezoek bij Willem en Anne in de Molenbuurt. Even bijkletsen, koffie drinken, een sigaartje roken en natuurlijk de huur ophalen. Zijn laatste jaren woont hij in een verzorgingshuis, en overlijdt aldaar op 83 jarige leeftijd. Willem Voogt wordt per testament de nieuwe eigenaar van de huisjes. Tot hun grote spijt blijven ook Anne en Willem kinderloos en evenals hun (pleeg)ouders  zullen zij een kind een liefdevol huis gaan bieden. In Westgraftdijk woont het gezin van Jan Schaap en Neeltje Termaat in het café bij de Sluis. Het gezin telt 5 kinderen, 4 jongens en een meisje. Jan Schaap is behalve caféhouder ook barbier. Het gezin heeft weinig geluk. Neeltje heeft een zwakke gezondheid en in een advertentie in de Alkmaarsche Courant in januari 1930 wordt met spoed een flinke dienstbode gevraagd.

Neeltje wordt zieker en opgenomen in het ziekenhuis, zij overlijdt in maart van dat jaar, op  34 jarige leeftijd.

Jan Schaap achter de tap, Annie op een stoel bij de tafel. Is moeder Neeltje al overleden en moet Annie, die nog niet de schoolgaande leeftijd heeft bereikt , zich overdag vermaken in het café?

Nog is het ongeluk voor dit gezin niet voorbij. Een jaar later, in mei 1931, overlijdt ook de nog maar 33 jarige Jan Schaap. Het café wordt nog hetzelfde jaar in november verkocht.

De kinderen worden voor zover dat mogelijk is bij familie ondergebracht. De jongste zoon Piet gaat naar familie in Alkmaar. Het meisje Anna Jantje Schaap (Annie genoemd) is 4 jaar oud en dorpsdokter Koppen ontfermt zich over haar. Hij kent de grote kinderwens van Anne en Willem Voogt en weet dat Annie daar zeer welkom is. Zij vindt hier een thuis en zal Willem en Anne tot haar overlijden met veel liefde en respect haar vader en moeder noemen. In het huisje aan de Molenbuurt wordt het kleine kamertje op de zolder met hout betimmerd, behangen en fris geschilderd. Dit wordt Annie’s kamertje.  Zij gaat naar school in Driehuizen, krijgt daar haar vriendinnetjes en heeft, zoals zij later vertelt, een mooie jeugd gehad. Meester Reijnberg, het toenmalige hoofd der school is zeer tevreden over haar schoolresultaten. Annie is een goede en ijverige leerling. Thuis is zij de oogappel van opa en opoe Voogt . Het inkomen van Anne en Willem blijft karig, maar als Annie iets nieuws nodig heeft, wordt daar niet op bezuinigd. Als opa Voogt  verhuist komen er diverse nieuwe huurders in zijn huisje wonen. Annie doet een vervolgopleiding in Alkmaar, krijgt een baan en ontmoet haar grote liefde Rini Kok die tijdelijk in Alkmaar woont. Hij komt uit ‘s-Hertogenbosch en na hun huwelijk  wordt dit de nieuwe woonplaats van Annie. Voortaan worden de nieuwtjes per brief uitgewisseld. Willem koopt een bromfiets en daarmee gaan Anne en Willem minstens 1 x per jaar per bromfiets van de Molenbuurt naar dochter Annie. De fietstassen vol met “schoon goed” en niet te vergeten de cadeautjes voor de 2 kleinzoons. De oudste heet Willem, vernoemd naar zijn opa.  In 1998 overlijdt Annie, op 71 jarige leeftijd. Rini  overlijdt in 2014, hij is 87 jaar oud geworden.

De mechanisatie van de landbouw doet zijn intrede en er worden steeds minder boerenknechten gevraagd. Willem  gaat werken in oliefabriek de Vrede, Westknollendam.  Hij kan het fabriekswerk niet aan en solliciteert bij van de Beldt in Westgraftdijk. Hier voelt hij zich thuis en blijft op de scheepswerf  werken tot zijn pensionering. Willem is al jaren slechthorend en door het vele lawaai van het hameren op het ijzer van de schepen krijgt hij steeds meer gehoorproblemen.

Het personeel van de scheepswerf. Achterste rij 5e van rechts staat Willem Voogt


Na zijn 65e verzorgt Willem de tuinen voor verschillende mensen en brengt hij jarenlang de AZ krant rond. Anne blijft thuis, zij kan niet meer fietsen en ook het lopen gaat moeizaam.

In 1979 verlaten Willem en Anne hun geliefde Molenbuurt en verhuizen naar het verzorgingshuis De Mieuwijdt in Graft.




1976, Anne en Willem 50 jaar getrouwd


De huurders van het noordhuisje

Na het vertrek van Simon Voogt (begin jaren ’40) wordt het huisje verhuurd voor 1,75 per week. De eerste huurders (naam onbekend) hebben een groot gezin. Begin 1944 komt een jong stel uit Amsterdam naar de Molenbuurt. Het zijn Cornelia (Corrie) Kost en Jan Hesterman met hun dochtertje Joke. Zij nemen een woonboot mee naar de Molenbuurt. In 1947 verhuist het gezin Hesterman terug naar Amsterdam. De woonboot wordt hun weekendhuis en blijft tot eind jaren ’80 in de ringvaart voor de huisjes liggen. Jan Hesterman overlijdt in 1963, Corrie blijft tot op hoge leeftijd regelmatig in haar boot aan de dijk logeren . Zij overlijdt in 1997 op 90 jarige leeftijd. De boot wordt in de oorlog nog gebruikt door onderduikers, onder andere door de zus van Maup Caransa, een bekende Amsterdamse ondernemer. Na de oorlog brengen broer en zus Caransa nog diverse bezoeken aan Willem en Anne. Dirk de Jong uit Oostgraftdijk en Corry Dekker uit Westgraftdijk zijn de volgende huurders. Inmiddels is de huurprijs verhoogd naar 2,00 per week. In 1951 verhuizen zij naar Westgraftdijk . Gosse Suk en Marie Voorthuizen met hun 2 kinderen verhuizen van het Noorderpolderhuis naar de Molenbuurt. Ook Dieuw, de zus van Marie woont bij hen in.  In 1954 trouwt Dieuw met Klaas Meijer, timmerman in Westgraftdijk. Gosse, Marie en de kinderen verhuizen naar Driehuizen, Klaas en Dieuw blijven in het huisje wonen. Herinneringen van Klaas Meijer aan Willem en Anne: Het waren prima buren. Dieuw werkte voor ons trouwen bij de gezinsverzorging, daar stopte ze mee en had veel gezelligheid aan het contact met buurvrouw Anne. Willem was een rustige man, hij werkte op de scheepswerf, bij van de Beldt en thuis was hij meestal aan het werk in zijn tuin. Hij had een grote groentetuin en wist er veel van. Ik heb veel van hem geleerd vooral toen ik later zelf ook een moestuin kreeg. Hij was soms zo fanatiek dat hij zelfs met een looplamp nog in het donker  zijn tuin ging spitten. Op zondag was hij altijd op het voetbalveld in Westgraftdijk te vinden, als supporter dan.  En toen AZ in Alkmaar kwam werd dat echt zíjn club. Ik ben wel eens  met hem mee gegaan, achter op de bromfiets. Willem ging trouwens overal naar toe op die brommer, zelfs een keer in zijn eentje naar Brussel! Anne ging wel eens op bezoek bij de buren aan de dijk of aan de overkant maar meestal bleef ze thuis. Samen met mijn zwager Gosse hebben we de afrit voor de brommer en fietsen nog gemaakt. We moesten hiervoor eerst toestemming vragen bij de dijkgraaf, dat was Posch in die tijd. Het was maar een smalle afrit, net breed genoeg voor een kinderwagen, meer was niet nodig want er woonde niemand met een auto.  Er was ook geen wc of douche, dat was heel normaal in die tijd. We hadden een pleetje op de sloot en een waterput achter de huisjes. Als in de winter de sloot bevroor had je een probleem met het pleetje, en als het in de zomer lang droog kon de waterput droog komen te staan. Ik weet nog dat ik met een melkbus water ging halen bij mijn zwager in Driehuizen, een zware vracht op de fiets, maar dan kon je weer even vooruit.

In 1958 verhuizen Dieuw en Klaas met hun pasgeboren zoontje naar Westgraftdijk. De nieuwe huurders komen uit Oostgraftdijk, een echtpaar “op leeftijd”,  verdere gegevens ontbreken. Van 1962 tot 1966 wonen metselaar Cor Broersen uit Westgraftdijk en Elly Koning uit de Starnmeer in het huisje. In deze tijd wordt de waterleiding aangelegd en Cor metselt 2 badkamers op de plek van de waterput. Het huwelijk van Cor en Elly houdt geen stand, later woont Elly in Alkmaar en zal daar “onder verdachte omstandigheden” om het leven komen. In 1967 wordt het huisje verhuurd aan Klaas Ney en Cora Bruin, beide uit de Zaanstreek. De huurprijs is inmiddels 30 gulden per maand. In 1973 kopen zij het zuidhuisje dat wordt gerestaureerd en vergroot. De inmiddels geboren dochters krijgen nu een eigen slaapkamer, evenals de pleegdochter die enige jaren in de vakanties en weekenden bij hen woont. In 1979, als Willem en Anne verhuizen naar Graft, worden Klaas en Cora eigenaar en bewoner van beide huisjes. Later zal het noordhuisje weer afzonderlijk bewoond gaan worden door oudste dochter en haar  gezin. Als de inmiddels nieuw gebouwde schuur op het zuidelijke erf verbouwd wordt tot woonhuis komt ook jongste dochter met gezin terug naar de Molenbuurt. In 2008 worden beide huisjes verkocht aan Hans en Els Voors en Manon en Erik Voors-Hertog. Opnieuw wonen (groot)ouders in het ene en de (klein)kinderen in het andere huisje.

Het kleine verhaal van de Molenbuurt gaat grotendeels over het leven van Anne en Willem. De huisjes zijn “verhuisd” , in 1970 van de gemeente Graft naar de Schermer en in 2015 naar de gemeente Alkmaar. De dijk is verbreed, het smalle  grindpad een asfaltweg geworden en met het afbreken van de molens is in de loop der jaren ook de naam Molenbuurt voorgoed verdwenen.

Cora Ney-Bruin, van 1967-2009 bewoonster van de  huisjes aan de Molenbuurt en tot 1979 buurvrouw van Willem en Anne Voogt.

Met dank aan Klaas Meijer en bouwkundige informatie van Klaas Ney.

Bronnen:

J.J Schilstra, Schermerland, mensen en molens. 1971

Mr. J. Belonje, De Schermeer 1633-1933. 1933

Kadastrale Atlas van Noord-Holland 1832, Deel  6 Graft De Rijp         

 

Dit artikel werd reeds gepubliceerd in “De Kroniek” van de OHV-Het Schermer Eiland en is met toestemming hier geplaatst.

 

🇳🇱  © JOIR Design - 2006 - 2017  |  Links  |  Downloads  |  Contact  |  Site Map  |  Disclaimer  |  Privacy  | Licentierechten  🇳🇱