>

Financiers



De vraag wie welke maatregelen in het buitengebied moet betalen is actueel. Zeker. Met de huidige recessie wordt des te duidelijker dat ook voor de natuur en het buitengebied de geldpot niet onuitputtelijk is. Naarstig wordt dan ook gezocht naar nieuwe vormen van financiering en nieuwe afspraken. Hoewel nieuwe afspraken? Ook eeuwen geleden was het een actuele vraag wie moest opdraaien voor de kosten van de groene ruimte. Een voorbeeld van publiek-private financiering uit Noord-Holland van zo'n 700 jaar geleden.

Omstreeks 1300 bestond het land van Noord-Holland ten noorden van het IJ, het Noorderkwartier, uit verschillende grote meren, oorspronkelijk veenriviertjes, die met elkaar en met de zee in verbinding stonden doordat ze in zee uitmondden. Deze riviertjes waren tot meren geworden omdat ze onderhevig waren aan eb en vloed en het land eromheen afgekalfd was. Tussen deze meren lagen stukken oud veenland, dat nog niet afgekalfd was en in de middeleeuwen verkaveld was in langgerekte kavels. Om deze veeneilanden te beschermen had men ringdijken gebouwd. Na de drooglegging van deze meren zijn de ringdijken grotendeels binnendijks geslecht. Alleen de West-Friese Omringdijk en in mindere mate die van de Eilandspolder zijn behouden gebleven.

Om de afkalving tegen te gaan begon men in de 13e eeuw de zeegaten af te sluiten met dammen, waarin men sluizen legde. Bij die dammen ontstonden visserdorpen die naderhand soms zelfs tot steden zoals Edam, Monnickendam, Volendam etc. uitgroeiden. Bovendien ontstond er zo in Noord-Holland een binnenboezem, de Schermerboezem.

Ondanks de afsluiting van deze zeegaten door bleven de oevers van de meren nog steeds verder afkalven. In 1544 was de toestand van het Noorderkwartier zo slecht en regende het zoveel klachten bij Karel V dat deze een onderzoek liet instellen naar de toestand van dit gebied. Dit onderzoek wees uit dat de mensen liever de sluizen open lieten staan om paling te vangen dan zich om het land te bekommeren en resulteerde in de oprichting van het hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland dat op de Schermerboezem moest letten en op de sluizen in de dammen.


Consortium van draagkrachtige particulieren

Na de invoering van de windwatermolen, waarvan de eerste vermelding uit 1428 dateert, begon men aanvankelijk, in de 16de eeuw, de kleinere meren bij Alkmaar en in het Geestmerambacht droog te leggen. De eerste grote droogmakerij die vervolgens tot stand kwam aan het einde van de 16de eeuw was de Zijpe.

De financiering van deze droogleggingen was een particuliere zaak.

Soms waren het plaatselijke machthebbers, lage of hoge ambachtsheren zoals de graven van Egmond en Brederode die de Egmonder- en Bergermeer drooglegden. Maar meestal vormden vaak rijke kooplieden en hoge ambtenaren een consortium van draagkrachtige particulieren, die een manier zochten om hun geld dat zij in de handel met de Oostzeelanden en met Oostindië verdiend hadden te beleggen en daardoor nog rijker te worden. Zij verbonden zich geld in de onderneming te steken en deze tot een goed einde te brengen. Voor deze droogleggingen waren vijf redenen:

Men zocht naar mogelijkheden om het geld, verdiend in de handel of verkregen uit andere hoofde te beleggen. Destijds waren de mogelijkheden voor beleggingen gering. De meest voor de hand liggende waren land en huizen. Zij waren reeds gewend in de handel grote risico's te nemen.

De graanprijzen waren in de 17e eeuw hoog en men hoopte winst te maken. Bovendien hoefde men dan niet daarvoor helemaal naar de Oostzeelanden te gaan.

De rijke kooplieden hadden behoefte aan buitenplaatsen waar zij in de zomer konden vertoeven en een grote staat voeren.

Onder invloed van de voortschrijdende techniek in de vestingbouw, bevorderd door Prins Maurits, nam ook de waterbouw een hoge vlucht.

De overheid zag de landverslindende meren graag drooggemaakt, maar wilde zelf het risico van deze ondernemingen niet dragen.

Om deze werken te kunnen betalen, dienden gegadigden voor percelen in het nieuwe land al voor de drooglegging op de grond in te schrijven en vanaf de eerste spade die de grond inging omslag (polderbelasting) te betalen. De nieuw te winnen grond was al voor de drooglegging vaak onderwerp van driftige speculatie. Zo werd er in het geval van de Beemster al gehandeld in percelen onder water!

Als de meren droog waren gelegd, volgde de verdeling van de landerijen door middel van loting. Om een zo eerlijk mogelijke verdeling te maken, kreeg men een goed stuk land waarbij men bij moest betalen en een stuk van een minder soort dat "uitkeerde", waarbij men geld toe kreeg.

De overheid, in dit geval de Staten van Holland, verleende een bijdrage in de vorm van verschillende soorten belastingvrijdom voor een aantal jaren. De overheid zag dit soort droogleggingen graag, want het bevrijdde hen van de landverslindende grote meren waardoor de inkomsten van de grondbelasting verminderden.

De instantie die deze droogleggingen met lede ogen aanzag, was het hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland. Want door deze droogleggingen werd de Schermerboezem steeds kleiner en overstroomde deze boezem steeds sneller, waardoor het land meestal van oktober tot maart onder water stond Maar het bestuur van dit hoogheemraadschap werd meestal omgekocht. Voor hun toestemming tot indijking kregen zij stukken land in de ingedijkte polder. Dit was eveneens het geval met de stadsbesturen van de stemhebbende steden van het Noorderkwartier die in de vergadering van de Staten van Holland aan deze ondernemingen hun fiat moesten geven. Praktijken die in deze periode zó gewoon waren, dat ze bij de onkosten hoorden en als zodanig in de polderrekeningen werden vermeld!


Grondbelasting

Behalve in de Beemster, waar de nieuw gewonnen grond uitstekend was en waardoor de indijkingsrage goed op gang kwam, bleek de kwaliteit van de bodem van deze meren in de meeste andere droogmakerijen buitengewoon slecht. Deze was niet geschikt voor het verbouwen van het graan waarvan men de gouden bergen verwachtte. Men kon er slechts veeteelt op bedrijven. Veel ondernemers gingen dan ook failliet. Dit verhinderde hen echter niet elke keer opnieuw risico's te blijven nemen. De overheid bleef in de meeste gevallen bijspringen door tot einde 18e eeuw vrijdom van grondbelasting te blijven verlenen. Voegt men hierbij de verschillende golven muizenplagen en runderpest uit de 18e eeuw dan zijn deze ondernemingen over het algemeen aanvankelijk niet erg rendabel geweest.

Na de Napoleontische tijd begon aan het einde van de eerste helft van de 19e eeuw een tweede indijkingsrage onder invloed van een nieuw élan na oorlogen en bezetting. De Waard en Groetpolder en het Koegras werden bedijkt en de polder Waard-Nieuwland, bij het toenmalige eiland Wieringen, herdijkt. Ook nu was het nog steeds een zaak van particulier initiatief. En ook nu bleek de nieuw gewonnen grond slecht. In het geval van de Anna Paulonapolder, tussen 1844 en 1846 tot stand gekomen, kon slechts de particuliere financiële hulp van koning Willem II verhinderen dat de hele onderneming op een mislukking uitliep omdat de grond voor het grootste deel uit zand bestond en de inschrijvers op de gronden zich terugtrokken. Pas met de invoering van de kunstmest in 1913 konden deze gebieden tot bloei komen.

Al met al mogen wij onze zo zeer op geld beluste voorvaderen heel dankbaar zijn. Zij hebben verhinderd dat Noord-Holland werd wat Zeeland bleef: een eilandenrijk. Hierdoor hebben zij bijgedragen aan de welvarende provincie die Noord-Holland tegenwoordig is.


Bronvermelding : Nummer 3, 2003 door Helga Danner


🇳🇱  © JOIR Design - 2006 - 2017  |  Links  |  Downloads  |  Contact  |  Site Map  |  Disclaimer  |  Privacy  | Licentierechten  🇳🇱